De ingang van mijn voormalige schuilkelder
Mijn atelier is een schuilplaats. Daar ben ik veilig voor de scherpe tong van
mijn moeder. Met tubes verf uit haar academietijd maakte ik mijn eerste
schilderij. "Je moet ambtenaar worden, net als je vader!" zei ze toen ik het
haar liet zien. Ik werd klerk, maar tijdelijk, en alleen overdag. 's Avonds en
's nachts schilderde ik. En ik ging naar de kunstacademie, ver weg, in
Groningen.
Toen ik jaren later mijn plan openbaarde om duizend tekeningen te malen en de
overblijfselen in glazen potten tentoon te stellen, antwoordde ze met een
demonisch gelach dat me nu, jaren na haar dood, nog doet huiveren. Ik dacht aan
de nachtmerrie die ik had als kind: Buiten op straat klinkt plotseling een
signaal: het monster komt. Ik moest maken dat ik binnen kwam en alle ramen en
deuren potdicht doen. Soms haalde ik het, soms werd ik verzwolgen. In de laatste
versie lukte het me ergens binnen te komen, maar toen kwam het monster
binnenlopen, vermomd als een jong politicus, en zei me dat ik een zolderraampje
vergeten was.
Mijn ondergrondse atelier in Jeruzalem had helemaal geen ramen. Vier
nood-openingen leverden alleen wat schemerlicht, maar ik kon uitstekend uit de
voeten met de twee TL-buizen. Ik ontwierp er prachtige installaties. Boven mijn
hoofd, in de hete zon, liepen mannen met zwarte jassen en zwarte hoeden en
vrouwen met grote aantallen kinderen. Ze keken naar mij alsof ik van een andere
planeet kwam. Via een loodzware deur van twintig centimeter dik staal daalde ik
af naar mijn werktafel. Niemand, geen monster, geen moeder kon me daar te na
komen. Slechts enkele galeriehouders en museummensen liet ik toe af te dalen.
Nu, in een riant atelier in Groningen, ga ik de trap op, in plaats van af, en
kom ik in een zonovergoten ruimte. Een deel van de enorme raampartijen heb ik
afgeplakt met Japans papier, om verblinding te voorkomen en om blikken vanaf
daken en vanuit vliegtuigen tegen te houden.
Gelukkig geloof ik niet in het bestaan van een alziend oog. Toch vermijd ik aan
mijn werktafel, uit angst, het schilderen. Ook schrijven wil niet; wat zou mijn
oudtante, die katholieke streekromans schreef in het zuiden des lands, ervan
vinden? Ik heb als kunstenaar een probleem. Ik doe alles om te voorkomen dat ik
kunst ga maken, zelfs al houd ik ervan. In plaats daarvan zwelg ik in
activiteiten als het bijwerken van mijn eigen catalogus, of uitrekenen hoeveel
kilometer ik per trein aflegde tussen Nederland, Rusland en Spanje in 1991. Om
mijzelf van de totale ondergang te behoeden heb ik alle spellen van mijn
computer verwijderd.
Om mezelf toch aan het werk te krijgen pak ik een stevig potlood en trek cirkels
tot het papier scheurt. Ik herhaal dat ritueel totdat mijn angst oplost en
langzaam alles, wat daaronder vastgehouden wordt, vrijkomt. Pas dan ben ik in
staat schetsen te maken en studies. Ik gebruik potlood, kwasten en enorme
hoeveelheden sterk verdunde verven en inkten. Passer en liniaal houden ze in
toom, misschien net iets te veel. Ik zie plotseling voor me
wat eerder in de keuken, op de wc, in een vergadering of een droom of in de
trein geboren is. Als het lukt om de vreemde gedachten niet meteen te
veroordelen ontstaat een installatie of een schilderij dat ik later, voor een
tentoonstelling, kan uitwerken.
Ik inspecteer de tentoonstellingsruimte. Ik laat alle vage en minder vage ideeën
langs wanden en vloeren kruipen. Maar afgezonderd in het atelier neem ik de
beslissing en daar voer ik het meeste werk uit. Het atelier geeft me de
veiligheid om plannen te ontwikkelen, die in een onrijp stadium belachelijk door
sommigen worden genoemd. Ik ben erg jaloers op mensen die zich niets aantrekken
van andermans opinie.
In de tentoonstellingsruimte zelf hoef ik alleen nog maar in te vullen of op
te plakken, of gewoon op te hangen. Dat lijkt behoorlijk op kantoorwerk.
Misschien had mijn moeder gelijk. En wat had ik voor tentoonstellingen: 1001
Gemalen tekeningen, 712 Grensovergangen, Plaatsen waar ik droomde:
kantoorarchieven.
Henk Puts
|
|